Op een schitterende dag in september gaat de vuurrode zon langzaam onder achter de heuvels in de verte. Het voelt nog zomers warm in de stad.

In de tuin speelt een klein jongetje in de zandbak. Hij neuriet zachtjes een liedje. Een zwart hondje draait rondjes om de zandbak heen, snuffelend met zijn natte neusje in de grond. Aan de bomen hangen zware takken vol rode appels. Hij hoort ergens op de achtergrond achter het hek harde stemmen van passanten en een gezoem. Alsof de imker de bijenkast opentrekt.

Het jongetje bouwt een zandtoren. Als hij klaar is verschijnt er een grote glimlach op zijn gezicht. Een hoge zandtoren verrijst middenin de bak. Het hondje komt aanrennen en snuffelt eromheen, kwispelend. Het jongetje roept:

‘Mama, mama kom eens kijken wat ik gemaakt hebt! Kom gauw.’

De deur van het huis gaat open. Mama blijft in de deuropening staan en kijkt zijn richting op, haar handen en schort wit van het meel.

‘Wat mooi! Wicuś, kom binnen. Het avondeten staat klaar.’

Wicuś staat op maar twijfelt, omdat hij weet wat hem straks te wachten staat. Na het avondeten zullen de ramen dichtgemaakt en met doeken bedekt worden, zoals elke avond. Hij zal gelijk naar bed moeten, ook al is het nog vroeg en hij zal niet in slaap kunnen vallen. Zijn ouders zullen naar de buren gaan die een radiotoestel hebben. Vanuit zijn bed zal hij zoals altijd vreemde, doffe geluiden horen en soms muziek. Het ging afgelopen week elke avond zo door.

‘Nee, nog niet, ik heb geen trek.’

Wicuś doet nog een schepje zand bovenop zijn toren.

‘Jawel, het is tijd.’ Mama komt dichterbij en pakt zijn hand vast. ‘Kom, ik heb noedels gemaakt. Reks krijgt zo ook wat te eten.’

Het hondje springt kwispelend naar mama toe. Zij aait zijn zwarte bol.

‘Goed dan’, zucht Wicuś, ‘maar ik ga morgen weer spelen!’

‘Natuurlijk schat, morgen mag je weer naar buiten.’

Mama glimlacht en duwt Wicuś zachtjes naar binnen. Terwijl hij de drempel overstapt, werpt hij nog een laatste blik op zijn zandkasteel. Reks blijft buiten wachten bij zijn bakje.

In de keuken ruikt het heerlijk naar noedels. Kasia staat bij de kachel met een houten lepel in haar hand. Druppels saus sijpelen van de lepel naar de keukenvloer.  

‘Ga je handen wassen, schat. Papa komt zo. Kasia, dek de tafel, gauw.’

Kasia opent de keukenkast en haalt de borden tevoorschijn.

‘Komt papa dan zo snel vandaag?’ vraagt ze.

‘Jawel, we moeten ons voorbereiden.’

‘Voorbereiden op wat?’ vraagt Wicuś. Zijn ogen worden groot. Vorken vallen op tafel met een rinkelend geluid.  

‘Weet je het niet? Er komt een luchtaanval vanavond. Dat doet de baas van de Duitsers. Hitler heet hij. Hij wil oorlog met ons Polen.’

‘Kasia, laat maar. Je maakt hem alleen maar ongerust,’ fluistert mama.

De deur gaat opeens open. Papa verschijnt in de deuropening. Zijn gezicht lijkt donker en bezorgd.

‘Papa, papa!’

Wicuś springt op zijn vader af, terwijl zijn kleine armpjes zijn been vastklampen. Papa glimlacht, tilt hem op en zegt: ‘Wat ruik ik, noedels? Laten we lekker aan tafel gaan.’

Iedereen schuift aan rond de heerlijk ruikende kom. Het voelt alsof alles zoals vanouds is. 

’s Avonds laat gaan de ouders naar de buren. Wicuś kan geen slaap vatten. Met wijd open ogen luistert hij naar de rustige ademhaling van zijn zus en naar de gedempte geluiden aan de andere kant van de muur. Er is geen muziek, alleen gepraat. Een donkere wolk valt op zijn ogen en hij gaat kopje onder in de donkerblauwe golven.

Opeens klinkt er geschreeuw. Loeiend geluid. Harde voetstappen en stemmen buiten. Wicuś schrikt wakker.

‘Mama, mama!’ Zijn stem gaat over in luid gehuil.

Kasia klimt snel uit haar bed en pakt hem vast. ‘Ik ben hier, rustig, mama komt zo.’ Haar ogen zijn rond van schrik maar ze probeert haar stem geruststellend te laten klinken. Wicuś grijpt haar vast, bibberend. Geschreeuw en chaos dringen door de muren heen. Mama stormt de kamer binnen. Ze heeft een jas over haar nachtjapon aangedaan. 

‘Snel, we moeten naar de kelder, nu!’ Ze pakt de kleren van Wicuś en slaat een trui om hem heen. Wicuś kijkt haar aan met tranen in zijn ogen, onthutst.

          ‘Ik ben bang, mama.’ Hij pakt haar vast en verstopt zijn gezicht in haar jas. Mama tilt hem op en fluistert zachte worden in zijn oor. Ze draait naar haar dochter toe.

‘Kasia, doe iets warms aan, het is koud in de kelder.’

Kasia zegt niets. Ze trekt haar jurk aan met rillende handen. Sirenes loeien steeds harder. Mama rent met de kinderen de kamer uit. Wicuś kan niets zien, zijn gezicht verstopt in de veiligheid van mama’s jas. De bekende geur van haar kleren dempt de oorverdovende geluiden van buiten niet, maar geeft houvast.

‘We zijn veiliger in de kelder dan hier. Er komt een luchtaanval aan’, schreeuwt mama door de herrie heen. 

Wicuś tilt zijn hoofd op en ziet dat het trappenhuis is volgestroomd. Het wemelt er van mensen, buren, bekende en onbekende gezichten, volwassenen en kinderen die in paniek naar de kelder afdalen. Mama duwt zich tussen de menigte door met Wicuś op haar arm en Kasia achter haar aan. Ze struikelt even maar mensen om haar heen houden haar omhoog. Wicuś kan niet stoppen met huilen. Tranen stromen op mama’s jas. Overal angstige gezichten. Gehuil en geschreeuw mengt zich met het harde geluid van sirenes. Wicuś ruikt de muffe lucht die hij zo goed kent

‘Zijn we al in de kelder, mama?’ vraagt hij zo hard als hij kan maar mama kan hem niet horen.

De menigte duwt hen voort. Wicuś klampt zich aan mama vast. Om hen heen een golvende zee van mensenhoofden. Ze zijn zo dichtbij dat hij ze aanraken kan. En dan de stem van papa.

‘Ik ben hier! Hier!’

In het zwakke kaarslicht verschijnen het bekende gezicht en de warme bruine ogen. Wicuś reikt naar hem toe maar de mensenzee scheidt hen van elkaar.     

De kelder voelt klam en muf, druppels water glanzen op ruwe stenen muren. Geluiden van buiten ebben weg. Binnen klinkt er geroezemoes van mensen en gehuil.

En dan begint de grond te trillen. Een dreunend, rommelend geluid. Een harde bons en dan nog een. Alsof de aarde onder hen opengaat. Pleisterwerk en stukken van de muren vallen op hun hoofden. Harde explosieknallen volgen elkaar op en vloeien samen in een hels gedreun. Oorverdovend geschreeuw en gehuil. Mensen vallen op elkaar, zoeken hun toevlucht onder de muren, in alle hoeken, trekken jassen en dekens over zich heen.

Wicuś stopt met huilen. Dalende stof bedekt zijn gezicht, zijn ogen, mond en neus. Het verstikt hem. Hij hapt naar lucht en wil schreeuwen maar geen geluid komt uit zijn keel. Hij voelt alleen hoe mama hem nog strakker omhelst en met haar mouw zijn gezicht schoonveegt. Hij ademt in en barst weer in tranen uit. Het gedreun en gerommel gevolgd door knallen duurt eindeloos. Wicuś valt in een bodemloze zwarte put en voelt niets meer.

Als Wicuś wakker wordt, is de herrie buiten afgelopen. Het is stil en donker in de kelder. Niemand durft zich te verroeren. Wicuś voelt mama’s hand en haar adem op zijn wang. Hij wil iets zeggen maar kan alleen zachtjes mamaaa fluisteren. Warme tranen stromen van mama’s gezicht naar beneden. Opeens verschijnen de eerste bleke kaarslichtjes. Overal onherkenbare gezichten, bebloed en bedekt met stof. Wicuś schrikt en vol afgrijzen verstopt hij zich in mama’s jas.

Na lange tijd bewegen de eerste mensen zich voorzichtig naar de kelderdeur. Wicuś voelt hoe mama meegaat en omhoogklimt. In het trappenhuis durft hij zijn ogen open te doen. Een wolk van stof hangt in de lucht. Overal ligt puin maar het huis staat nog overeind. De deur van de keuken hangt scheef. In het zwakke ochtendlicht liggen de meubels verspreid over de grond. Gebroken serviesgoed vermengd met het glas van ingeslagen ramen. 

Papa trekt een omgevallen stoel omhoog en gaat zitten. Zijn gezicht bebloed en bedekt met een dikke laag stof. Hij staart naar de chaos in de keuken terwijl het bloed van zijn kin naar beneden druppelt. Mama zet Wicuś voorzichtig op de grond. Ze loopt naar de kraan. Een sissend geluid van water. Mama haalt een doekje, maakt het nat en reinigt papa’s wond.

Wicuś en Kasia staan verstijfd tussen het puin. Wicuś kijkt met grote ogen naar zijn ouders. Plotseling voelt hij een natte, warme lik aan zijn hand. Een zacht gejank en kwispelende staart. Een grijze hoop bedekt met stof en rode strepen bloed wurmt zich tussen zijn benen.

‘Rerererereeeeee-ks, Reeeeeeeeeeeeeeeeeeeksiu-uuuuuuuuu, wa-wa-wa-wa-wa-wa-ttttt iiiiiiiiiiiiiiiissssssss eeeeeeeeeeeeeeeerrrrrrrrrrrr’. Er zit een steen in zijn keel. Woorden komen in brokken uit zijn mond en vallen op de grond als kapotte kopjes. Mama, vader en Kasia kijken hem geschrokken aan.

‘Wicuś schat, wat is er gebeurd?’ Mama’s stem trilt.

De mond van Wicuś buigt, hij barst in huilen uit. Hij draait zich om en rent naar buiten door het puin heen. Als versteend stopt hij op de stoep. Door de grijze wolk heen lijkt de tuin een warboel van gebroken takken, een omvergeblazen hek en een groot gat in het midden waar ooit de zandbak was. De zandtoren is verdwenen, opgegaan in de stroom van zwartgrijze aarde. Wicuś wrijft in zijn ogen en hapt naar lucht. Mama sluit haar armen om hem heen.

‘Kom, we gaan naar binnen.’

Wicuś sluit zijn ogen en ziet de zandtoren in de avondzon.

****************************************************************

Iedereen behalve de hond zal de oorlog overleven. Papa’s wond zal genezen. Kasia en Wicuś zullen naar school gaan. Het huis zal opgeknapt worden. Papa zal weer naar zijn werk kunnen en mama zal weer lesgeven.

Wicuś zal altijd blijven stotteren. Hij kan nooit meer een ononderbroken woord zeggen. De brok in zijn keel raakt hij nooit meer kwijt.

Over Agnieszka

Even voorstellen: GedrevenBewust - PassievolVerbinderSchrijftalent. Dat ben ik. Ik vertaal (groene) teksten in het Nederlands, Engels & Pools. Daarnaast geef ik ook verbindingstrainingen.